Dushi Methodiek': 'De Dolende Ridder met het Stekelige Harnas'

Iedereen was bang voor de dolende ridder met het stekelige harnas. Het harnas was zwart en bezaaid met vlijmscherpe ijzeren punten. Zijn gezicht zat achter het vizier van zijn helm, die al net zo stekelig was. Soms brulde hij, maar hij praatte nooit. Je kon hem van verre horen aankomen met al dat rammelende ijzer en die piepende scharnieren aan zijn lijf. Dan deden de mensen de poorten van hun stad dicht of haalden de ophaalbrug van hun kasteel omhoog en vertelden elkaar verhalen over hoe boos en gevaarlijk de dolende ridder met het stekelige harnas was. Dat hij je kon spietsen met zijn giftige stekels. Dat hij je doof kon maken met zijn brul. Dat hij geen mens was, maar een demon, of een duivel. En dan gingen de allerdapperste mannen en vrouwen op hem af met deegrollers en hooivorken en joegen hem weer weg. Weg van hun stad. Weg van hun kasteel. Weg van hun huis.

Elke keer als dat gebeurde werd zijn harnas ietsje stekeliger. 

Soms rende hij vervaarlijk brullend op de dappere vrouwen en mannen af. Als hij ze dan op de vlucht joeg, dan voelde dat goed. Dan deed hij wat een dolende ridder met een stekelig harnas hoorde te doen. En dan was hij weer alleen. Want dat waren dolende ridders met stekelige harnassen nu eenmaal. Alleen. 

Eigenlijk was hij wel trots op zijn stekels.

Zo trok hij door het land. En nu stond hij voor een doorgang in een hoge heg om een groot boerenerf heen. In de doorgang stond een man met grijze haren als de manen van een leeuw. 

“Ik ben Anders,” zei hij. “En jij bent welkom.”

Die stem klonk rustig. Zacht. Vriendelijk. Warm. “Welkom.” Dat woord had hij nog nooit gehoord. De ridder liep rammelend en piepend op de doorgang af. Anders stapte een klein beetje opzij om hem door te laten, maar bleef vriendelijk naar de ridder kijken. De ridder liep het erf op. Er hingen vlaggetjes in tientallen kleuren aan lange touwen tussen de boerderij en de heg. Er brandde een vuur in een korf vlakbij een lange tafel waar al heel wat anderen zaten. Er was een moestuin en er groeiden lavendelstruiken en klimrozen. In een wei stonden een paard en een koe. Kippen, geiten en een varken scharrelden los rond over het erf. De hoge, donkergroene heg stond er helemaal omheen. De geuren van vuur, eten, lavendel, rozen en dieren drongen om beurten dwars door het vizier de neus van de ridder binnen.

Bij een hondenhok lag een grote zwarte labrador, die opstond en naar de ridder toeliep. Met zijn slimme neus vond de hond meteen de enige plek waar geen stekels zaten: bij de handpalmen. De hond duwde zijn zachte kop er tegenaan, maar de ridder brulde en trok zijn hand terug. De hond haalde zijn schouders op, snuffelde nog even aan een paar stekels en wandelde toen kalmpjes terug naar zijn hok, waar hij drie keer ronddraaide en neerplofte op de grond in de avondzon.

“Wil je wat eten?” vroeg een zware stem.

Anders was inmiddels verdwenen. Een reusachtige trol zat aan tafel en wenkte. Met rammelende stappen liep de ridder naar de lange tafel waar anderen al zaten te eten en te kletsen. Er waren mensen, een elf, een dwerg, een cycloop en nog anderen.

“We wonen hier met zijn allen,” zei de trol. “Deze boerderij heet Xenia. Dat betekent ‘gastvrijheid’.”

De ridder bleef staan aan het hoofdeinde van de tafel. De trol zette een bord voor hem neer en zei vriendelijk: “We hebben veel verschillende dingen klaargemaakt, omdat we niet wisten wat je lekker vond.”

De ridder pakte een stuk brood, klapte zijn vizier even omhoog, net lang genoeg om het brood in zijn mond te stoppen, maar zonder zijn gezicht te laten zien. Het brood was knapperig. Met een rietje door zijn vizier heen dronk hij melk. Die smaakte zoet. Hij had nog nooit zomaar zulk lekker eten en drinken gekregen. 

Ineens schrok hij. Er waren drie stekels van zijn harnas losgeraakt. Ze hingen te bungelen aan zijn schouder, zijn elleboog en zijn knie. Zijn stekels! Hij brulde. Meteen zaten de drie stekels weer stevig vast. Zo hoorde het. De trol keek even bezorgd, maar glimlachte al snel weer. 

Het was inmiddels donker geworden en de trol en de anderen staken samen de lampionnen aan die in de bomen, aan de heg en aan de muren hingen. Gezellig flakkerend, veelkleurig licht verspreidde zich over het erf. De dwerg haalde zijn gitaar en maakte muziek aan de ene kant van de tafel.

Sommigen luisterden en anderen zongen mee. Aan de andere kant speelde de elf een spelletje met een paar mensen. De cycloop gooide een bal over met de trol. Als de bal viel raapte de hond hem op. Weer anderen zaten gewoon in hun eentje of samen op een hooibaal, lazen een boek of deden niks.

De ridder stond bij het hek van de wei en keek toe. De trol had hem gevraagd om mee over te gooien, de elf om mee te spelen en de dwerg om mee te zingen. Hij had geen antwoord gegeven, maar ook niet gebruld. Hij zag dat niemand een deegroller of een hooivork had. Hij rook de geur van lavendel en klimroos in de warme avondlucht. Hij hoorde de vogels fluiten in de heg. Het paard hinnikte van een afstandje. Het hield niet zo van stekels. De hond kwam nog eens snuffelen aan zijn hand.  

Kloing!

Een van de stekels van zijn harnas was op de stenen gevallen. Hij raapte hem op, wilde hem weer vastmaken, maar hij kon niet meer vinden waar de stekel had gezeten. Hij had hem nog in zijn hand toen de dwerg hem naar zijn slaapkamer bracht. Hij legde hem naast zijn bed. 

De dolende ridder had leren slapen in zijn stekelige harnas. Je wist immers nooit wanneer de mensen met hooivorken en deegrollers zouden komen. Zoals altijd schrok hij bij elk geluid wakker.

De volgende dag was er ontbijt en de ridder liet zijn vizier nét lang genoeg open voor een boterham en een beker melk. Ze zagen een klein stukje van zijn gezicht. De trol gaf iedereen zijn taken voor die ochtend. Poetsen, afwassen, opruimen, dieren voeren, de koe melken, de hond uitlaten, de heg snoeien. Iedereen mocht zeggen wat ze graag wilden doen, maar alles moest gebeuren. De trol nam de ridder en een paar anderen mee naar de moestuin en liet hem zien welk onkruid er gewied moest worden. De anderen trokken de ene na de andere paardenbloem uit. De ridder deed niks, keek wat de anderen deden en luisterde naar hun geklets. Opeens boog hij zijn knieën met piepende scharnieren, ging op de grond zitten en trok een stuk zevenblad uit. 

Van een afstandje klonk de stem van de trol: “Fijn dat je meehelpt. Dank je wel!”

Die hele ochtend werkte de ridder in de moestuin. De anderen kletsten met elkaar en tegen hem, ook al zei hij niks terug. Toen ze klaar waren ontdekte hij dat er drie, vier stekels van zijn harnas af waren. Hij zag ze nergens meer.

’s Middags, na het eten, las de elf voor uit een boek. De dwerg leerde ze een liedje en daarna mocht iedereen doen waar hij zin in had. De ridder zocht nog even naar zijn stekels in het zand van de moestuin. Maar eigenlijk wist hij niet eens zeker of hij ze nog wel wilde vinden.

Toen hij die avond alleen op zijn slaapkamer was, deed hij voor hij ging slapen zijn helm af. Dat had hij al jaren niet gedaan. Hij zette hem op de grond naast zijn bed bij de ene losse stekel die daar lag. Zijn hoofd voelde het zachte kussen. Die nacht werd hij nog maar een paar keer wakker. De volgende dag ontbeet hij zonder zijn helm. En toen de trol hem melk inschonk zei de ridder: “Dank je.” Vijf stekels vielen tegelijkertijd van zijn harnas. 

Zo gingen de dagen voorbij. Elke dag raakte de ridder meer stekels kwijt. Elke avond trok hij een stuk van zijn harnas uit en legde dat voorzichtig naast zijn bed: zwartglanzende scheenplaten, keiharde armbeschermers, een ijskoud borstkuras, stalen schoenen en ijzeren handschoenen. Toen hij het laatste stuk van zijn harnas had uitgetrokken, waste hij zich voor het eerst in lange tijd met de zeep die hij van de cycloop had gekregen. De trol had kleren klaargelegd. Zwart. De kleur van zijn harnas. De capuchon van zijn hoodie voelde als een zachte helm. En die hield hij dus maar op.

Hij at meer en steeds andere dingen. De wortels uit de moestuin die hij zelf had geoogst. De melk van de koe die hij zelf had gemolken. Geitenkaas van de geit die hij zelf had gevoerd. Elke dag zei hij meer. ’s Avonds luisterde hij naar de muziek, deed mee met overgooien of een spel. En soms zat hij gewoon op een hooibaal, alleen of met een paar anderen, en keek naar de lampionnen. En hij aaide de hond.

Op een avond was het gaan onweren. Dikke wolken waren aan komen drijven. Snel hadden ze de dieren op stal gezet, de lampionnen uitgedaan, de vlaggetjes opgerold en de hondenmand bij de haard gezet. Het was bedtijd en de ridder rolde zich in zijn dikke, warme deken. Hij hoorde het geraas van de wind, het gekletter van de regen en de dreunende donderslagen. Door de kieren in de luiken voor zijn raam zag hij de bliksem flitsen. Het duurde lang voor hij onrustig in slaap viel.

In zijn droom veranderde het geruis van de wind in roepende stemmen.

“Ga weg! Jij bent een duivel! Een demon! Grijp je hooivork! Pak je deegroller! We jagen hem weg!”

De stemmen werden één stem:

“Weg! Je moet weg! Ik haat je!” 

Het was de stem van zijn moeder. Zijn moeder was een heks. Zij had hem nooit willen hebben. Zij vond dat hij mislukt was. Een last. Haar heksenbrouwseltjes mislukten altijd en dat was zijn schuld, zei zij. De mensen haatten haar en dat was zijn schuld, zei zij. Hij had haar het leven zuur gemaakt, alleen maar omdat hij bestond, zei zij. En hij geloofde dat.

In zijn droom voelde hij weer hoe zijn moeder hem een mep gaf, vierkant oppakte en naar buiten smeet. Hij hoorde de deur achter zich dichtslaan. De sleutel knarste in het slot. Het regende pijpenstelen en onweerde.

Hij zag weer hoe hij het eerste stuk van zijn harnas maakte, de helm, om zich te beschermen tegen de klappen en het gescheld van zijn moeder, de heks. Hij had steeds meer harnas nodig en er waren steeds meer stekels op gekomen. En tenslotte was de deur niet meer voor hem open gegaan en was hij vertrokken. Hij was de dolende ridder met het stekelige harnas geworden. En dat was zijn eigen schuld. Hij was nergens welkom. En dat was zijn eigen schuld. 

Hij werd wakker.

En hier? In boerderij Xenia? Hier hoorde hij niet. Dit was geen plek voor een dolende ridder met een stekelig harnas. Het kon niet waar zijn dat de trol, de elf, de dwerg, de cycloop en al die anderen hem aardig vonden en voor hem wilden zorgen. Niemand gaf om hem. En dat was zijn eigen schuld, want hij was mislukt. Waardeloos. Hij moest weg. Weggaan, voor ze hem weg zouden sturen. Het was een kwestie van tijd voor ze hem met deegrollers en hooivorken zouden opjagen.

In het donker trok hij zijn harnas aan, terwijl dikke tranen over zijn wangen stroomden. Het zwarte, koude ijzer voelde goed. Het gewicht beschermde hem. Zijn verdriet veranderde in boosheid. Hij was graag boos. Liever boos dan verdrietig!

In het donker kon hij één schouderstuk niet vinden. Dan maar zonder. Hij liep stampend door de donkere boerderij. Het rammelen van het metaal en het piepen van de scharnieren klonken als muziek. Hij dacht dat er alweer meer stekels aan zijn harnas waren gegroeid en dat ze langer en puntiger waren geworden. Buiten op het erf brulde hij. Hij was weer zichzelf! De dolende ridder met het stekelige harnas. Boos en gevaarlijk. Nog eens brulde hij. Harder nu. Rammelend en piepend liep hij naar de doorgang in de heg. 

Een zachte hand werd op zijn schouder gelegd. Met een grom draaide hij zich om. Daar stond Anders. Zonder deegroller. Zonder hooivork.

“Kom.”

Anders ging zitten op een hooibaal. Nu pas merkte de ridder dat het niet meer regende en niet meer onweerde.

“Ga je weg?” vroeg Anders.

Ineens kon de ridder het niet meer inhouden. Hij vertelde alles aan Anders. Van zijn moeder, van de mensen met hun hooivorken en deegrollers, van slapen in een stekelig harnas. Van boos en gevaarlijk zijn. En dat het allemaal zijn eigen schuld was. Dat hij mislukt was.

Anders was een hele tijd stil.

“Je bent verdrietig en boos. Dat zie ik en dat hoor ik. En dat snap ik. Maar het is niet jouw schuld.”

“Nou dan is het de schuld van mijn moeder! Ik haat haar!”

De ridder brulde nog eens. Hij voelde de hand van Anders op zijn ene schouder en het zwarte ijzer op zijn andere.

“Wat is schuld? Je moeder was wie ze was en deed wat ze deed. De mensen haatten haar en daarom probeerde zij jou te haten. Daarom hoef je haar niet te haten. Haten heeft geen zin.”

Anders stond op en begon de lampionnen aan te steken. De ridder deed zijn helm af. De hond kwam naar buiten en ging op de hooibaal liggen. De ridder maakte zijn beenkappen en armplaten los en voelde het zachte warme lijf van het dier. Hij rook de geur van regen. Van hooi. Van lavendel en klimrozen. Een vleermuisje fladderde door de lucht, op jacht naar muggen. Een paar sterren piepten achter de wolken vandaan. De lampionnen brandden. Anders had ook het vuur aangemaakt.

“Hier is altijd licht. Hier is altijd warmte. Hier jaagt niemand je weg. Je hoeft niet te dolen en je hebt geen stekelig harnas nodig. Je bent welkom. Altijd. Ook als je boos en verdrietig bent.”

De ridder bleef wonen op boerderij Xenia. Zijn harnas lag nog een hele tijd naast zijn bed, maar het werd steeds stoffiger. Tenslotte stelde de trol voor om het buiten te leggen, bij de vuilnishoop. Dan was er plaats op zijn kamer voor een grotere kast voor de kleurige kleren die hij nu graag droeg.

Hij was niet langer de dolende ridder met het stekelige harnas. Hij was gewoon iemand. Hij was zichzelf.

Maar die ene stekel, de stekel die als eerste van zijn harnas was gevallen, die bewaarde hij. Want die hoorde ook bij hem.

Dushi-verhalen door Paul Groos

Paul Groos schreef diverse verhalen voor Dushi Huis, allemaal met een andere symboliek die linkt aan Dushi Huis en de Dushi Methodiek. De verhalen, met illustraties van Marie- Louise Hooymans, zijn als losse boekjes uitgegeven en bij ons te bestellen.

Doneer hiervoor 25 euro per verhaal/boekje aan Dushi Huis, laat je adresgegevens achter en laat ons weten welk boekje je wil ontvangen!