Dushi Grondtoon-verhaal 'Over de Rivier'
In drommen gingen ze aan boord. De boot toeterde nog eens. De bootsman stond bij de loopplank en sprak streng: “Doorlopen, kaartje laten zien, naar de stoel met jouw nummer erop, de nummers staan op de rugleuning, zitten en blijven zitten, stil zijn, doorlopen, opschieten…”
Op de kade stond een groepje. Ze keken naar het imposante schip, de smalle loopplank, de boze bootsman. Zij hadden geen kaartje en geen nummer. De bootsman keurde ze geen blik waardig.
Soms keek iemand uit de lange rij passagiers naar ze, een enkeling stak zijn hand uit om ze mee te nemen. Soms liep een van hen mee, maar bij de loopplank werden ze onverbiddelijk teruggestuurd. Geen nummer, geen kaartje, geen plek op de boot. Ze moesten de uitgestoken hand loslaten en liepen met hangende schouders en tranen in de ogen terug naar de anderen op de kade.
Opeens klonk er rumoer. Een andere bootsman sleepte iemand bij de kraag mee naar de loopplank. “Zat op de verkeerde stoel! Kaartje klopt niet!” En zonder pardon werd ze over de loopplank naar de kade gesleurd en achtergelaten bij het groepje zonder kaartje.
Een mevrouw met een enorme rolkoffer liep uit de rij op hen af. Ze deed de koffer open, keek over haar schouder naar de bootsman en siste: “Snel, erin! Ik kan een van jullie meenemen!” De kleinste van de groep keek de anderen aan. Die knikten. Snel kroop hij in de koffer van de mevrouw. De bootsman had niks gezien, pakte de koffer aan, trok een gezicht van inspanning en tilde hem kreunend aan boord. De mevrouw liet haar kaartje zien en liep de boot op naar stoel 734. De koffer trok ze achter zich aan.
De passagiers waren allemaal aan boord gegaan. De bootsman stond op het punt om de loopplank in te trekken en de touwen los te gooien, toen er iemand uit het binnenste van de boot kwam aangerend. Zij duwde de geïrriteerde bootsman opzij, rende over de loopplank en voegde zich hijgend bij het groepje.
“Het geluid van de motor is zo hard! Je moet op een stoel die veel te groot is en je moet bij een nummer. Ik ben ik en niet 361! Ik heb een kaartje, maar ik wil niet mee!”
De loopplank werd ingetrokken. De touwen losgemaakt.
De onwillige zei:
“Ik wil het niet
Ik kan het niet
Ik pas niet op de boot
het moeten en
het voegen en
het dwingen zijn te groot.”
De scheepstoeter schalde voor de laatste keer. Daar ging de boot op weg naar de Overkant.
Het groepje op de kade keek elkaar aan. Het waren ouderen en jongeren. Dikkeren en dunneren. Langeren en korteren. Wit gesproet, donker gebruind, zwart getint. De haren blond, rood, bruin, zwart, grijs, wit, groen, blauw, paars. Er waren meisjes, er waren jongens, sommigen waren meisje én jongen, anderen geen van beide en enkelen wisten het niet zeker. Sommigen waren teleurgesteld of boos, anderen huilden, weer anderen waren wanhopig en een paar hadden een verbeten blik op hun gezicht.
Allemaal keken ze reikhalzend naar een Overkant die ze niet konden zien, maar waarvan ze zeker wisten dat ze er naartoe moesten. Maar ze hadden geen nummer en geen kaartje. Zij konden, zij mochten, zij durfden, zij pasten, zij wilden niet in de boot, die inmiddels stroomafwaarts om een bocht was gevaren en in de nevel uit het oog was verdwenen. Moesten ze dan voor altijd aan Deze Kant blijven? Kwam er ooit een boot voor hen?
Het werd avond. Ze praatten over de boot en over de Overkant. Het werd nacht. Ze sliepen op de kade. Het werd ochtend.
Op een bolder zat een man. Hij was keurig gekleed en had halflange, grijze haren die als de manen van een leeuw langs zijn gezicht vielen.
“Ik ben Anders,” zei hij. Zijn stem klonk rustig en vriendelijk, maar had een toon waar je wel naar moest luisteren. Alsof de brul van de leeuw nooit ver weg was.
“Jullie hebben de boot gemist. Dat geeft niet. Loop langs de rivier, stroomopwaarts. Er is altijd een manier om aan de Overkant te komen. Nu nog niet, maar wel een keer. Het kan altijd anders.”
Hij pakte zijn grote plunjezak van de grond en begon uit te delen: boterhammen, water, appels, voor iedereen was er een rugzak vol.
Ze deden hun tassen op hun rug. Anders keek ze na, terwijl ze stroomopwaarts langs de rivier liepen, de kade af, de oever op. Ze keken nog eens om. Anders zwaaide ze uit. Zouden ze hem ooit terugzien?
Soms liep er een pad langs het water, soms moesten ze zich een weg banen door struikgewas of modderpoelen. De rivier was woest, koud, diep.

Kijk, over de rivier zwommen vijf grote, sneeuwwitte zwanen naar hen toe. Ze peddelden naar de oever en zwommen met het groepje mee. De voorste zwaan zei: “Willen jullie naar de Overkant? Je kunt op onze rug. Onze veren zijn zacht en warm. We bedekken je met onze vleugels.” De stem van de zwaan was melodieus en vriendelijk en de zwanen lieten uitnodigend hun brede ruggen zien. Die zagen eruit als bedden van dons.

Ineens werd er iemand kwaad:
“Monsters! Jullie zijn monsters! Ik wil jullie niet! Ik wil niet onder jullie vleugels! Ik haat jullie! Ga weg! Ga weg!”
En woedend pakte ze stenen van de grond en gooide die naar de zwanen. Die gleden kalmpjes over het water tot halverwege de rivier en zwommen mee terwijl het groepje langs de rivier liep, veilig buiten het bereik van de stenengooier. Tegen de avond zwom de grootste zwaan weer naar ze toe. De stenengooier was moe geworden.
“Ik begrijp dat je boos bent. Natuurlijk ben je boos. De boot heeft je achtergelaten en de Overkant is ver weg. Je hoeft niet met ons mee. Er is altijd een manier om aan de Overkant te komen. Het kan altijd anders. Maar wie wil, is welkom.”
Ze keken elkaar aan. Vijf klommen onhandig op de dobberende zwanen. De rest wilde niet.
De boze zei:
“Ik wil het niet
ik doe het niet
ik ga niet op een zwaan.
Ze zijn te eng
ze zijn te groot
straks doen ze me iets aan.”
Op elke zwaan nestelde zich iemand. Alle vijf vielen ze in slaap op de warme, zachte zwanenruggen, terwijl de dieren majestueus weggleden richting de Overkant en verdwenen in de mist. De anderen bleven achter op de oever.
Het werd avond. Ze praatten over de zwanen en over elkaar. Het werd nacht. Ze sliepen in het gras. Het werd ochtend.
Verder gingen ze. Stroomopwaarts. Nu eens klauterden ze over rotsen, dan weer waadden ze tussen het riet. De rivier was breed, kalm, zanderig.
Kijk, er zwommen krokodillen! Hordes woeste krokodillen met grijpgrage en hongerige kaken vol vlijmscherpe tanden. Hier konden ze zeker niet naar de Overkant. Snel liepen ze verder. Daar kwam zomaar een enorm hoofd uit het water te voorschijn. Een paar gigantische schouders. Een torenhoog lijf. Er liep een waterreus naast hen door de rivier. Wier en alg in zijn haar, modderig zand op zijn armen. Zijn vrolijke stem bulderde over het water:
“Willen jullie naar de Overkant? Ik kan je dragen! Mijn schouders zijn breed en ik ben sterk. Ik bescherm je tegen de krokodillen!”

De reus droeg een smerig blauwgroen hemd en een korte broek. Zijn voeten met tenen zo groot als surfplanken plonsden bij iedere stap diep in het water, dat hoog opspatte.
Ineens schreeuwde iemand:
“Nee, jij kunt dat niet, jij kunt ons niet beschermen! Ik vertrouw je niet! De krokodillen zijn met veel te veel en ze zijn veel te sterk! Ga weg, reus, ga weg!”
En boos ging die op het gras zitten, ver van het water, diens gezicht naar de grond, diens armen over diens hoofd. De anderen bleven staan.
Nu de reus stilstond, kwamen de krokodillen nieuwsgierig dichterbij. Ze sperden hun muilen open en probeerden de reus in zijn kuiten te bijten. Die stampte in het water en maakte een vloedgolf. De meeste krokodillen werden weggespoeld. De reus pakte de hardnekkigste reptielen tussen duim en wijsvinger bij de staart en slingerde ze weg, ver het water in.
In zijn galmende stem klonk klonk een lach die buiken liet trillen: “Ik snap dat je me niet vertrouwt. Natuurlijk vertrouw je me niet! De bootsman liet je niet aan boord en de Overkant is ver weg. Er is altijd een manier om aan de Overkant te komen. Het kan altijd anders. Je hoeft niet met me mee. Maar wie wil is welkom.”
Drie wilden. Heel voorzichtig zette de reus ze op de schouders. De anderen bleven op de oever.
De wantrouwige zei:
“Ik hoef het niet,
vertrouw het niet,
ik ga niet op die reus.
Zijn lijf is groot
zijn stem is hard
en dat maakt me nerveus.”
Stap voor stap pletste de reus door het water. Elke krokodil die zijn lelijke snuit vertoonde, kreeg een klap of een schop. En zo verdween de reus met het drietal op zijn schouders in de mist, op weg naar de Overkant. De anderen bleven achter en keken ze na.
Het werd avond. Ze praatten over de reus en over zichzelf. Het werd nacht. Ze sliepen op de rotsen. Het werd ochtend.
Verder gingen ze. Stroomopwaarts. Nu eens liepen ze tussen bomen door, dan weer over strandachtig zand. De rivier was smaller, sneller, onstuimiger.
Het was gaan regenen. De dikke druppels hadden de mistbanken verdreven. Maar de Overkant was door het regengordijn nog altijd niet te zien. Het water drupte uit hun haar in hun nekken en liep als tranen over hun gezichten.
Kijk, daar stond een reusachtige boom. Een perenboom, waarvan de smaragdgroene takken, zwaar van de dikke peren, tot op de grond hingen. De grootste takken strekten zich uit tot ver over het water. Onder de takken kon de regen niet komen en dus bleven ze er schuilen. Ze aten van wat Anders hun had gegeven. De bodem van hun rugzakken begon in zicht te komen.
“Wat fijn dat jullie er zijn!”
De trage, holle stem liet ze schrikken.
“Ik ben de perenboom. Ik heet jullie van harte welkom onder mijn takken. Jullie hebben al veel meegemaakt en al ver gereisd! Helemaal tot hier! Knap hoor! Je mag hier schuilen, zo lang je wil. In de holtes tussen mijn takken vind je vers water. En pluk gerust zoveel peren als je lust!”
Ze vulden hun flessen en deden zoete, rijpe peren in hun rugzakken.
“Zeg, willen jullie naar de Overkant? Aan een van mijn hoogste takken zit een touw en dat touw gaat over de rivier naar mijn zus, de kersenboom aan de Overkant. Zij zal het leuk vinden om jullie te ontmoeten! Je hoeft alleen maar naar boven te klimmen en langs het touw naar de Overkant te klauteren. Het is niet ver! En er zijn hier geen krokodillen.”
Sommigen klommen langs de takken omhoog en zeiden dat dat helemaal niet moeilijk was. Anderen klommen ze achterna. Daar was het touw dat zich uitstrekte naar de Overkant en in de regenvlagen verdween. Het zat stevig vastgebonden aan een heel dikke tak.
Op de grond waren er nog twee achtergebleven. Verstijfd van angst keken ze met grote ogen naar boven.
Eentje stamelde:
“Nee, nee, dat kan niet. We kunnen niet klimmen! We zullen eraf vallen! Het is veel te gevaarlijk!” En allebei drukten ze zich dicht tegen de stam van de boom en klemden zich eraan vast.
De boom zei rustig: “Natuurlijk ben je bang, natuurlijk durf je niet, dat is logisch! Je kon niet aan boord gaan en de Overkant lijkt nog ver weg. Je mag hier blijven zo lang je wil. Er zijn peren genoeg! Maar je mag ook verder trekken langs de stroom. Er is altijd een manier om aan de Overkant te komen. Het kan altijd anders. En wie over het touw wil gaan, mag!”
Op de twee na wilden ze allemaal.

Een bange zei:
“Ik durf het niet
ik wil het niet
ik kan niet op het touw.
Mijn lijf is zwak
mijn armen slap
dan val ik veel te gauw!”
De twee zagen hoe de anderen hoog boven het water over het touw balanceerden, klommen of kropen. Door de regenvlagen naar de Overkant.
Het werd avond. Ze praatten met en over de boom. Over het touw. En over de reis. Het werd nacht. Ze sliepen onder de takken van de boom. Het werd ochtend.
Ze besloten verder stroomopwaarts te lopen en namen afscheid van de perenboom. Ze bedankten hem voor zijn gastvrijheid, deden hun rugzakken vol peren, duwden de neerhangende takken opzij en gingen op pad. De regen was voorbij, de mist was weer terug. Nu eens moesten ze over slootjes springen, die uitmondden in de rivier. Dan weer voelden ze gladde rivierkeien onder hun voeten. De rivier was hier nog smaller geworden. Misschien was de bron niet ver meer.
“Zullen we zwemmen?” zei de ene. “Durven, kunnen, willen we dat?”
De andere zei: “We zwemmen.”
De rugzakken die ze van Anders hadden gekregen, lieten ze achter. Net als hun schoenen. Ze liepen het water in. Het was koud. Al snel kwam het tot hun middel. Ze zwommen. De stroom nam ze mee stroomafwaarts. En ze zwommen. Hun stijve, koude, spieren brachten ze tot diep in de mist. Maar zwemmen was zwaar. Veel te zwaar. Eerst ging de ene kopje onder en kwam proestend weer boven. Dan spoelde er een golf over de ander heen.

De twee werden wakker op bedden van zacht zwanendons onder een boom. Aan de boomtakken hingen dikke, rijpe kersen. “Welkom,” fluisterde de kersenboom. Op haar takken en geleund tegen haar stam zaten hun reisgenoten, zelfs die ene die in de koffer van de mevrouw naar de Overkant was gereisd. Maar ze ontdekten ook nieuwe gezichten. Iedereen lachte naar hen. In het water dreven de zwanen en daarachter zat de waterreus op zijn hurken in de rivier. De mist was weg. Aan de andere kant zagen ze de perenboom. Het touw hing hoog boven de rivier.
Een zwemmer zei:
“We konden niet
we wilden niet
we durfden niet te gaan
maar er was tijd
en er was hulp
zo hebben we ’t gedaan.”
Het werd avond. De takken van de kersenboom, die als een tent tot op de grond hingen, werden opzij geduwd en daar stond Anders.
“Welkom aan de Overkant!”
Uit zijn plunjezak haalde hij taart en sap. Met zijn allen zaten ze in een kring. Ze vierden hun reis en hun aankomst. En allemaal vertelden ze hoe ze aan de Overkant waren gekomen, ook al mochten, konden, wilden, durfden ze eerst niet. Anders luisterde en glimlachte en knikte.
“Zijn we er nu?” vroeg iemand.
“Jullie zijn aan de Overkant,” zei Anders. “Vanaf hier gaat de weg weer verder. Welke kant je ook op gaat, je zult altijd een andere rivier, een gebergte, een woestijn of een moeras tegenkomen. En ook daar zul je altijd op je eigen moment, op je eigen manier en met de hulp die jij nodig hebt naar de Overkant komen. Als het eerst niet lukt, kan het altijd anders.”
Het werd nacht. Ze sliepen op bedden van zwanendons, op boomtakken, op zwanenruggen, op schoot bij de reus. En Anders hield de wacht.
Het werd ochtend.
Ze gaven elkaar, Anders, de reus, de zwanen en de kersenboom een knuffel. Ze zwaaiden naar de perenboom. En ze gingen verder. Sommigen met een groepje dezelfde kant op. Anderen helemaal alleen ergens anders naartoe. Een paar bleven nog een tijdje onder de kersenboom. En allemaal vertrouwden ze erop dat ze Anders zouden tegenkomen als ze geen kaartje en geen nummer hadden. Als ze zelf niet meer verder konden.
En zo was het ook.

Dushi-verhalen door Paul Groos
Paul Groos schreef diverse verhalen voor Dushi Huis, allemaal met een andere symboliek die linkt aan Dushi Huis en de Dushi Methodiek. De verhalen, met illustraties van Marie- Louise Hooymans, zijn als losse boekjes uitgegeven en bij ons te bestellen.
Doneer hiervoor 25 euro per verhaal/boekje aan Dushi Huis, laat je adresgegevens achter en laat ons weten welk boekje je wil ontvangen!